Geldonderzoeker graaft zich autobio

Maandag 3 maart 1980 werd ik 29. 's Morgens in de vroegte hielp de wekkerradio me uit m'n slaap. De geluiden van Radio Stad vulden m'n Amsterdamse studentenkamer. Er was een nieuwsuitzending aan de gang. De presentator schakelde net over naar een verslaggever op locatie. Deze slingerde een sensationeel bericht de ether in. Met de inzet van tanks en pantserwagens was een politiemacht bezig het kraakpand Vondelstraat 72 te ontruimen. 'Erop af!' dacht ik, nog in bed liggend, 'laat ook ik me aangorden voor de strijd tegen de gevestigde stadsorde.' Nee, gekheid... dat dacht ik helemaal niet. Ik hoorde het nog tien minuten aan. Toen zette ik de wekkerradio uit, draaide me op m'n favoriete zij en lag in no time weer verzonken in het dal 'Waar Heerst De Milde Dood'.

Waarmee ik maar wil zeggen dat ik begin jaren tachtig niet zo'n activist was. Ik ben het ook nooit geworden.

Menig aanwezige in dit GeldcultureelCafé verbergt nu discreet zijn of haar gaap achter een meer of minder behaarde hand. 'Moet dat nu,' hoor ik u bijna denken, 'weer zo'n snuiter die verantwoording aflegt over de jaren tachtig.' Ja dames en heren, het moet. Bij de les blijven, ook al is het Spuit Elf die nog modder geeft. Wordt het werkelijk te slaapverwekkend, dan kunt u na deze zondag altijd nog met een klacht naar het spreekuur van dokter Duyvendak. Wat die man niet heeft aangesticht!

Goed, als ik me in die tijd verre hield van elke vorm van gepraktiseerd activisme, wat deed ik dan wel? Antwoord: sociologie studeren. Althans tot 1985, want toen haalde ik de eindstreep. Wis en waarachtig deed ik wat aan de studie, ik heb die per slot van rekening netjes afgemaakt, hoewel het tempo waarin ik dat deed aan de lage kant was. Maar als ik in gedachte terugkeer naar mijn tijd als kamerbewoner in de stadswijk Bos en Lommer, dan verschijnt voor mijn geestesoog toch vooral een al kalende dertiger die in een morsige leunstoel boeken zit te lezen die in geen enkele studiegids van de Faculteit der Sociale Wetenschappen te vinden zijn. Met name voor de schone letteren ontwikkelde ik een passie.

Nu ik u dit vertel, dringt zich één naam in het bijzonder aan mij op: die van de Franse schrijver Gustave Flaubert. Van hem las ik alles wat ik in vertaling te pakken kon krijgen. De verleiding is groot u op een stortvloed van Flaubert-citaten te trakteren. Ik ga dat niet doen, vooral omdat ik zo langzamerhand toe moet naar het onderwerp van vanmiddag. Maar één citaat wil ik u niet onthouden. Het staat in Flauberts formidabele correspondentie. Een selectie hieruit was destijds nog maar pas in het Nederlands voorhanden. In de marge voorzag ik de betreffende passage van een vette potloodstreep. U kunt dat vast begrijpen, als u zich realiseert dat ik in de jaren tachtig een bios theoretikos cultiveerde en mij distantieerde van een bios praktikos. Ik citeer:

Beschouw het leven, de hartstochten en uzelf als een object voor intellectuele oefeningen. U bent verontwaardigd over 's werelds onrecht, laagheid en tirannie, over alle vunzige en walgelijke kanten van het bestaan. Maar kent u die wel goed? heeft u alles bestudeerd? [...] Het gaat er niet om [...] [de mensheid] te veranderen, maar haar te leren kennen. [...] Lees veel.

Op mijn programma stonden ook Nederlandse auteurs. Ik voegde me bij de club van vroege bewonderaars van Maarten 't Hart. In 1982 vestigde dit fenomeen met het essay De vrouw bestaat niet zijn naam als  treiteraar bij uitstek van het radicale feminisme. 't Hart toetst in het boek feministische ideeën en overtuigingen aan zijn eigen ervaring. Volgens een van die ideeën is de vrouw financieel afhankelijk van de man. Zo kun je het onmogelijk stellen, aldus de schrijver, die vervolgens niet moe wordt te wijzen op de lage trap van de sociale ladder waarop zijn ouders stonden. Mijn vader, schrijft 't Hart,

Mijn vader gaf  vroeger zijn gehele weekloon aan mijn moeder - en zo ging het ook in alle andere arbeidersgezinnen waar ik over de vloer kwam. Zo was mijn moeder niet financieel afhankelijk van mijn vader, maar hij van haar, omdat hij zo weinig verdiende dat er geen eigen zakgeld kon overschieten.

'Ik ben benieuwd,' zo vervolgt 't Hart,

of er nu nog arbeidersgezinnen zijn waar het zo toegaat - in ieder geval is er in gezinnen waarin men rond moet komen van het minimuminkomen heus geen sprake van een afhankelijkheidsrelatie van een van de beide partners. Wie zelf geen stuiver heeft, kan een ander moeilijk financieel domineren.

De vrouw bestaat niet is één groot requisitoor tegen het doen van algemene uitspraken aangaande de sexen. Volgens 't Hart bestaat er geen 'mannelijk' en 'vrouwelijk' gedrag dat in allerlei samenlevingen hetzelfde is. Er zijn alleen uitzonderingen.

Ik rond af. Vanmiddag gaat het over man-vrouwverschillen in financieel gedrag. We zullen zien of we in dit GeldcultureelCafé 't Harts huiver voor generalisaties delen.

GERARD BORST