Het Koninklijk Penningkabinet

Eigendomsrecht aan de staat

Na de vorming van het Koninkrijk stichtte Willem I in 1816 het museum door samenvoeging van de van zijn vader geërfde stadhouderlijke verzameling, van het door Lodewijk Napoleon gestichte ‘s Lands Penningkabinet en van het weinige dat uit Parijs gerecupereerd werd. De koning stelde persoonlijk groot belang in de collectie en kocht vele dure en belangrijke stukken, zowel met staatsmiddelen als op persoonlijke titel, steeds ter plaatsing in het Koninklijk Penningkabinet. In 1823 kocht hij bijvoorbeeld de Grote Camee aan, voor de lieve som van 50.000 toenmalige guldens. Op een vraag van Willem II in 1840 naar de eigendomsrechten, werd vastgesteld dat de collectie door zijn vader nooit als diens particulier eigendom werd beschouwd en de status van de objecten niet apart geregistreerd werd omdat hij Nederland en het Huis van Oranje als een eenheid zag. Daarmee was de gehele verzameling de facto staatseigendom geworden.

 

Aandacht voor het eigen verleden

In de 18e eeuw bestond de collectie vooral uit Griekse en Romeinse munten, herdenkingspenningen en gesneden stenen. In de loop van de 19e eeuw nam de belangstelling voor het eigen verleden toe en kreeg het verzamelen van munten uit middeleeuwen en later tijd evenals papiergeld meer aandacht.