Jaarpenning Vrienden 2011
Munthuis Kampen
De koopmanstad Kampen heeft een rijke muntgeschiedenis. In de Middeleeuwen lag zij in het Oversticht, het oostelijke deel van het bisdom Utrecht. Bisschop Arnold van Hoorne (1371-1378) liet er voor het eerst munten slaan. Tegen het eind van de veertiende eeuw, iets eerder dan meestal wordt aangenomen, verschenen de eerste munten op naam van de stad zelf. Deze had in 1397 van de Duitse keizer het muntrecht verkregen. Bekend zijn de muntunies die de stad in de vijftiende en zestiende eeuw sloot, vooral die met de buursteden Kampen en Zwolle: de Driestedenmuntslag.
Het Utrechtse Oversticht kwam in 1528 als heerlijkheid Overijssel in handen van Karel de Vijfde. Tijdens de opstand tegen Spanje werd dit gebied een zelfstandige provincie. Vanaf deze periode vervulde het munthuis in Kampen twee functies. In de eerst plaats werden op grond van het oude muntrecht vanaf 1590 weer munten op naam van de stad uitgegeven. Dit ging door tot het muntrecht in 1694 werd afgekocht voor enkele duizenden guldens per jaar.
Daarnaast fungeerde de Kamper Munt ook als muntplaats voor munten van de provincie Overijssel. In 1582 werd besloten deze om de zes jaar wisselend in de muntwerkplaatsen van Deventer, Kampen en Zwolle te laten slaan. Hiervan bleef in 1680 alleen Kampen over.
In de 18e eeuw was het munthuis in Kampen vaak lange perioden gesloten omdat het de concurrentie met de grotere Nederlandse muntwerkplaatsen niet aankon. Toch zou het als een van de laatste munthuizen actief zijn. Nadat met ingang van 1807 op Utrecht na, alle provinciale muntwerkplaatsen waren opgeheven, kreeg de Kamper muntmeester namelijk nog eenmalig speciale toestemming om een partij kopergeld voor Nederlands Indië te leveren.
Hoewel in Kampen het Muntplein en de Muntsteeg duidelijk de plaats van vroegere muntactiviteiten aangeven, is er over de geschiedenis van de gebouwen waar dit plaatsvond weinig bekend.


