Verhalen uit het pre-Nibud-tijdperk-1

Ik wil nu uw aandacht vragen voor een boek waaraan ik een jaar of wat geleden veel plezier beleefde. Het gaat om Ileen Montijns Leven op stand. Zoals u misschien weet, gaat dit boek over het huiselijk leven van de sociale bovenlaag te onzent in de eerste helft van de twintigste eeuw. Er staan behartenswaardige dingen in over huishoudelijk boekhouden in Nederland.

In het tweede hoofdstuk van Leven op stand lezen we:

Iedere degelijke huisvrouw hield een huishoudboek bij. Er was een ruime sortering van zulke boeken te koop; het waren niet zomaar kasboeken, maar boeken met voorgedrukte, uitgebreide tabellen voor alle wekelijkse uitgaven, van werklonen en reparaties tot fooien, bloemen, de telefoon en de was. Een typerend voorbeeld is het Nieuw practisch huishoudboek uit 1925, samengesteld door mevrouw A. te Lintum-van der Looy van der Leeuw, en aanbevolen door de Nederlandsche Vereeniging van Huisvrouwen, afdeling 's-Gravenhage.


Montijn geeft nog een voorbeeld, Huwelijksgeschenk, een boekje vol raadgevingen uit 1912, waaraan zij de volgende zinsnede ontleent:

Iedere huisvrouw behoort eene acurate boekhoudster te zijn in eene zaak, waarin zij zelve de voornaamste aandeelhoudster is, dus waarvan zij zelve ook de meeste winsten geniet.


Een van de adviezen in Huwelijksgeschenk noemt Montijn klassiek: de jonge huisvrouw moest altijd pen en papier bij zich hebben om direct een aantekening te kunnen maken van een uitgave; 's avonds moesten de aantekeningen van de dag dan in het huishoudboek worden overgebracht.

De praktijk, zo geeft Montijn aan, zag er vaak een stuk informeler uit dan de raadgevers wilden. Maar, schrijft ze,

[...] formeel of informeel, iets moest er genoteerd worden in een welbestierd huishouden. Moeders gaven die wijsheid aan dochters door [...].


Dit was in de eerste decennia van de twintigste eeuw. Hoe lang bestond die financiële noteringsdrang in gezinnen van stand toen al? Montijn gaat daar niet op in, wat ook niet haar taak is. Evenmin valt het haar aan te rekenen dat zij voorbijgaat aan de vraag onder welke sociale omstandigheden de gewoonte van het huishoudelijk boekhouden in de Nederlandse bovenlaag tot ontwikkeling kwam. Het is een vraag waarop ík me als onderzoeker maar eens moet werpen.

Wie aan huishoudelijk boekhouden doet, weet met geld om te gaan. Zeg je van mensen dat ze met geld weten om te gaan, dan heb je het over een bepaalde geldcultuur, over bepaalde op geld betrekking hebbende door mensen gedeelde gedrags- en denkwijzen. Die cultuur van het weloverwogen geldgebruik, waarvan huishoudelijk boekhouden een bestanddeel was, was te vinden in de sociale bovenlaag waarover Ileen Montijn schrijft. Hoe stonden de zaken nu in de lagere regionen van de maatschappij?

In haar boek Kasmoni schrijft sociologe Aspha Bijnaar over de Nederlandse arbeidersklasse in de negentiende eeuw. Zij stelt dat deze klasse toen, in tegenstelling tot de middenklasse, nog niet had geleerd de neiging om impulsief geld uit te geven te onderdrukken. De vraag rijst wanneer de arbeidersklasse dat dan wel begon te leren. Wanneer – en natuurlijk ook: hoe – maakten de Nederlandse arbeiders zich de vorm van geldgedrag eigen die de middenklasse al langer kenmerkte? In hoeverre speelde huishoudelijk boekhouden een rol bij het aanleren en bestendigen van deze gedragsvorm? Welke door representanten van de middenklasse verrichte beschavingsarbeid kwam hierbij te pas? Mooie vragen voor een onderzoeker geldcultuur.