De door De Nederlandsche Bank sinds 1814 uitgegeven biljetten werden ‘roodborstjes’ genoemd vanwege hun roodbedrukte voorzijde. In een 7-tal emissies met waarden tussen de 25 en 1000 gulden domineerden zij de Nederlandse papiergeldcirculatie. Dat deze circulatie in het begin niet bijster groot was blijkt wel uit het feit dat de biljetten, als waren het cheques, door de president, 2 directeuren en de secretaris met de hand werden ondertekend. Van het hier getoonde biljet was de totale oplage 42.000 exemplaren, die vanaf 13 november 1837 in circulatie werden gebracht. Hoewel er in de jaren ’60 van de 19de eeuw nieuwe, beter beveiligde biljetten in circulatie werden gebracht, werden deze eerste roodborstjes pas op 2 januari 1921(!) uit de circulatie genomen.
In essentie zijn de biljetten de hele periode niet veranderd; handgeschept papier met watermerk, een betalingsbelofte in boekdruk en waarde, datum en nummering met de hand ingevuld. Daarbij werd elk biljet zoals eerder aangegeven met de hand ondertekend. Het biljet werd beveiligd doordat er zo’n 22 verschillende letterkasten gebruikt werden voor de teksten en aan de beide zijkanten het parelmuziekschrift waarvan Enschedé het enige zetsel had en waarin bewust fouten zijn aangebracht.
Het biljet uit de NEHA-collectie is op de keerzijde geëndosseerd, waarbij de betalende partij zich garant stelde voor de waarde op het biljet voor het geval dat De Nederlandsche Bank in gebreke zou blijven.

